Bloedglucosemonitoring

Diabetes is een chronische aandoening waarvoor geen genezing bestaat. De ziekte kan echter wel onder controle worden gehouden door elke dag de bloedglucosespiegel te controleren.

Diabetespatiënten die hun ziekte de baas willen zijn, moeten hun bloedglucose constant controleren om ervoor te zorgen dat hun bloedglucosespiegel niet te hoog wordt (hyperglykemie), maar ook niet te laag (hypoglykemie).

Aan de hand van de uitslag van de vingerprikmetingen weten diabetespatiënten of de behandeling goed werkt; daarbij wordt rekening gehouden met de mate van lichaamsbeweging, wat er gegeten wordt en de insuline die wordt gebruikt.

Andere tests worden in de spreekkamer van een arts of in het ziekenhuis uitgevoerd, maar de dagelijkse controle van de bloedglucosespiegel moet de patiënt zelf thuis doen, en wel meerdere keren per dag. Voor veel diabetespatiënten is dat een vervelende plicht die hun dag verstoort. Daarom kiezen steeds meer mensen voor insulinepomptherapie met continue glucosemonitoring.

Er zijn twee verschillende manieren voor het meten van de bloedglucosespiegel.
De eerste manier is een niet-nuchtere bloedtest, waarbij de patiënt zichzelf in de vinger prikt met een klein naaldje. Met teststrips en een druppeltje bloed meet een glucosemeter de bloedglucosespiegel van dat moment in het bloed van de diabetespatiënt. Een bloedtest geeft de bloedglucosespiegel weer van dat moment.

De tweede test is een urinetest, waarmee de glucosespiegel van een aantal uren wordt gemeten. Ooit werden urinetests gebruikt voor de dagelijkse controle, maar dat gebeurt niet meer. Soms is een urinetest nuttig, bijvoorbeeld als bij een vingerprik een bloedglucose van 240 mg/dl (13,3 mmol/L) of hoger wordt gevonden, als de diabetespatiënt langdurig stress doormaakt of misselijk is, braakt of buikpijn heeft, er wat klachten zijn die op ketoacidose kunnen duiden. Een urinetest die enkele keren per dag wordt herhaald, geeft een duidelijk beeld van wanneer glucose via de urine wordt uitgescheiden.

Voor het testen op ketoacidose is er een testset voor het meten van ketonen in urine zonder voorschrift van een arts verkrijgbaar bij apotheken. De diabetespatiënt urineert in een beker en doopt een teststrip in de urine of houdt de teststrip in de urinestroom. Nadat de voorgeschreven wachttijd verstreken is, wordt de teststrip gecontroleerd tegen de waarden op de set. Als de urine ketonen bevat, verandert de teststrip van kleur. Hoe donkerder de teststrip wordt, des te meer ketonen zitten er in de urine.

De manier waarop de diabetespatiënt wordt behandeld (eenmaal per dag een insuline-injectie, meerdere injecties per dag of een insulinepomp) is bepalend voor hoe vaak per dag de bloedglucose moet worden gecontroleerd. In het algemeen zijn er tussen de drie en twaalf controlemomenten per dag nodig.

Ongeacht het soort diabetesbehandeling moet minstens eenmaal per week een 24-uurstest worden uitgevoerd.
Een 24-uurstest lijkt veel op gewone controles, maar gaat een stap verder. Er wordt niet alleen een bloedtest met een vingerprik vóór alle maaltijden gedaan, maar ook 1½ tot 2 uur na iedere maaltijd en elk tussendoortje. Verder wordt er 's nachts, meestal tussen twee en drie uur, nog een test gedaan om te kijken hoe hoog de glucosespiegel tijdens de slaap is.

Alle testuitslagen moeten worden genoteerd met het tijdstip, de datum en de gegeven dosis na het uitlezen van de meter. Ook moeten er aantekeningen worden gemaakt over stressfactoren, ziekte en symptomen van ketoacidose. Die aantekeningen gaan mee naar de dokter, die bekijkt of daar dagelijkse patronen in te ontdekken zijn en of de behandeling zo nodig moet worden aangepast.

Belangrijk bij het testen van de bloedglucosespiegel:
  1. De nauwkeurigheid van de tests hangt af van de bloedglucosemeter die de diabetespatiënt gebruikt. De uitslagen van de verschillende glucosemeters kunnen iets van elkaar verschillen. Daarom is het beter nooit de meter van iemand anders te gebruiken omdat dat een foutieve uitslag kan opleveren.Tijdens een hypoglykemie is een bloedglucosemeter soms niet nauwkeurig als de glucosespiegel te ver gedaald is.
  2. Teststrips kunnen van partij tot partij verschillen. Als u een nieuwe partij teststrips in gebruik hebt genomen en u hebt het gevoel dat de uitslag niet klopt, dan moet u de test nog een keer doen en er een aantekening over maken in uw bloedglucoselogboek.
  3. Gebruik nooit verschillende partijen teststrips door elkaar en bewaar de strips altijd zoals op de verpakking staat aangegeven.
  4. Als de vingertoppen erg gevoelig zijn, kan de test ook ergens anders op het lichaam worden gedaan, zoals op een arm, hand of been. Maar bedenk wel: wanneer diabetespatiënten een controle uitvoeren bv. omdat ze zich flink gaan inspannen of omdat de glucosespiegel snel lijkt te dalen, dan levert het testen op een andere plaats dan de vinger een vertraagde uitslag op.